|
|
Libre of vrij spel
De eenvoudigste spelsoort is het 'libre' of 'vrij spel'. Er
zijn geen restricties, de bedoeling is slechts om met de
speelbal beide andere ballen te raken. In de negentiende
eeuw vonden de topspelers al gauw een manier om zeer grote
series te maken, de 'série américaine'. Het is een manier
van spelen waarbij de aan te spelen ballen dicht bij de band
komen te liggen en waarbij
bij elke stoot de ballen maar een paar centimeter
opschuiven. Zo kan de hele band langs gewandeld worden en
zelfs wordt het mogelijk om de aan te spelen ballen vast in
de hoek te leggen. In dat geval kunnen in hoog tempo
honderden of duizenden punten gemaakt worden en om dat te
voorkomen mag in de hoek niet meer alles (waarmee het spel
niet langer 'vrij' is). In de hoek wordt met een dunne
krijtlijn een driehoek afgetekend waarbinnen restricties
gelden: liggen beide te raken ballen in de driehoek dan mag
gewoon een punt gemaakt worden, maar liggen ze dan nog beide
in de driehoek dat moet bij het volgende punt een van de
ballen de driehoek verlaten. Die bal mag overigens wel weer
in de driehoek terugkeren. Op de grote tafel is het een
ongelijkzijdige driehoek met zijden van een kwart van de
korte en de lange band (dus ongeveer
71 en 36 centimeter) en op de kleine tafel een gelijkzijdige
driehoek met zijden van 17 centimeter, of in de hogere
klassen die op klein biljart spelen een kwart van de
bandlengte (ongeveer 57 en 29 cm).
Werden in de negentiende eeuw partijen van 2500 caramboles
niet geschuwd, later was de lengte van een partij 'slechts'
500 punten. Toch gebeurde het bij grote kampioenschappen
vaak dat alle deelnemers wel een of meer partijen in één
beurt uitspeelden. Ook remises (gelijk spel) van één beurt
kwamen geregeld voor, dan speelde de beginspeler de partij
direct uit, waarna in de nabeurt ook de tweede speler alle
500 punten achter elkaar maakte. Tegenwoordig is in
Nederland en België de partijlengte voor de beste spelers
400 caramboles, maar in de lagere klassen ligt dit aantal
lager. In de laagste klasse bedraagt het bijvoorbeeld
slechts 30 caramboles, waar men een beurt of 40 voor nodig
heeft.

Bandstoten
Bij het bandstoten is er maar één restrictie: voordat de
speelbal de tweede bal raakt moet minstens eenmaal een band
geraakt zijn. Er kunnen behoorlijk grote series gemaakt
worden maar een vaste gunstige positie, zoals bij de
kaderspelen, is er niet. Na een aantal stoten met subtiel
verschuivende ballen, moet weer een andere tamelijk gunstige
positie gezocht worden.
In Nederland en in België is de partijlengte in de
eredivisie 150 caramboles.

Driebanden
Bij het driebandenspel moet de speelbal minstens drie banden
raken vooraleer de derde bal geraakt wordt. De spelers zijn
er steeds bedrevener in geworden om ook bij het driebanden
aan seriespel te doen, dus om vooruit te denken. Gepoogd
wordt van alledrie de ballen baan en snelheid te controleren
zodat na een gemaakt punt weer een redelijk te maken positie
overblijft. Net als in de andere spelsoorten kan in meer of
mindere tevens gepoogd worden om zodanig te spelen dat na
het mislukken van de stoot een extra moeilijke positie voor
de tegenstander overblijft. Dit verdedigende spel heet 'carotte'
('wortel'). Het kan in een kampioenschap heel
nuttig zijn, maar het drukt wel de grootte van de eigen
series.
De topspelers spelen een partij over 50 caramboles (voorheen
60), maar er wordt ook vaak om sets van 15 punten gespeeld.
Winnaar is dan degene die als eerste het afgesproken aantal
sets (twee of drie) wint. Het voordeel van het setsysteem is
dat er meer spanning in de wedstrijd komt (je kijkt nooit
tegen een al te groot aantal punten achterstand aan), maar
het nadeel is dat een serie van meer dan 15 punten niet meer
mogelijk is, terwijl een grote serie bij het driebanden een
van de bijzonderste spektakels binnen het carambolebiljart
is. De hoogste serie staat op naam van Semih Saygıner en
bedraagt 31 caramboles.

Kaderspelen
Om het maken van grote series, die slechts voor de kenners
interessant zijn om te zien, te bemoeilijken werden lijnen
getrokken evenwijdig aan de banden. Zo ontstonden in de
hoeken vierkante kaders/vakken en langs de randen
langwerpige kaders. Kwamen de aan te spelen ballen beide
binnen de lijn te liggen dan moest, afhankelijk van de
spelsoort, bij de eerste, tweede of derde carambole een van
die ballen het vak verlaten; in het middenveld mocht gewoon
gespeeld worden. Ook dit bleek spoedig een te gemakkelijk
spel en de regels werden wat stringenter. Allerlei
indelingen van het speelvlak zijn geprobeerd, zelfs met
lijnen niet evenwijdig aan een band.
Tegenwoordig zijn drie soorten kaderspel nog in gebruik, op
de grote tafel zijn dat 47/2, 71/2 en 47/1. Daarbij geeft 47
of 71 de grootte van de kaders aan (47 is een derde van de
lengte van de korte band, 71 de helft van de korte band) en
met /2 of /1 wordt aangegeven hoeveel caramboles gemaakt
mogen worden met beide ballen binnen het kader (driestootskader
bestaat niet meer). Na de tweede respectievelijk eerste
carambole moet een van de aan te spelen ballen het kader
verlaten, maar mag wel terugkeren. Ook in het middenvak
gelden dezelfde regels. De moeilijkheidsgraad van de
verschillende kaderspelen valt af te lezen aan wat zowel in
Nederland als in België in de ereklasse de partijlengtes
zijn: bij 47/2 gaat het om 300 caramboles, bij 71/2 om 250
en bij 47/1 om 200 caramboles. De partijen zijn tegenwoordig
wat korter dan ze heel
lang geweest zijn. Bij het moeilijke 47/1 bedroeg de
partijlengte bij internationale kampioenschappen lange tijd
300 punten; de Nederlander Hans Vultink was de eerste die er
in slaagde om ze in één beurt te maken.
Waar een kaderlijn bij de band komt is het spel
gemakkelijker. Daarom worden daar 'ankers' aangebracht, dat
wil zeggen dat er een vierkant wordt getekend met zijden van
17,8 cm. In het anker gelden dezelfde regels als in de
kaders: binnen het anker mag maar 2 respectievelijk 1 keer
een punt gemaakt worden zonder dat de ballen het anker
verlaten – óók als de ballen wel
in twee verschillende kaders liggen.
Komen de ballen beide in eenzelfde kader of anker te liggen
dan zegt de scheidsrechter 'entrée' ('binnengekomen').
Liggen na de volgende carambole de ballen nog steeds in het
vak (bij 47/1 mag dat dus niet), dan zegt de scheidsrechter
'dedans' ('binnen'). Verlaat bij het volgende punt geen van
de aan te spelen ballen het vak dan heet de positie 'restée
dedans' ('binnen gebleven') en is de speler af. De spelers
streven ernaar om de ballen steeds aan beide zijden van een
lijn
te houden, die positie heet 'à cheval' ('te paard'). Vooral
rond de kruising van lijnen zijn er mogelijkheden om grote
series te maken. Er wordt dan vaak een 'rappel'
('terugroep') gedaan:
een van de aan te spelen gaat dan ongeveer via de lijn naar
de band, keert terug en tikt zachtjes de achtergebleven
ballen weer in een perfecte positie. Het moeilijkst is een
'lange rappel', waarbij een bal helemaal naar de andere kant
van het biljart moet. Genoemde serie van 300 van Vultink
bevatte een dergelijke rappel, die dan ook een ovatie
uitlokte toen hij op de millimeter slaagde.

Kunststoten
Bij het 'kunststoten', 'artistiek biljart' of 'billiard
artistique' worden de ballen op voorgeschreven en op het
laken aangegeven posities geplaatst. Een speler mag driemaal
proberen om de carambole op de voorgeschreven wijze te
maken, waarbij het nodig kan zijn dat de bal over een andere
heen springt, een bocht maakt, drie keer achter elkaar
dezelfde band raakt of over negen banden gaat. Wordt de
carambole gemaakt dan krijgt de speler een bepaald aantal
punten afhankelijk van de moeilijkheidsgraad van de stoot,
van heel erg moeilijk tot extreem moeilijk. |